Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.