Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
instellen
Je moet de klok instellen.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.