Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
haten
De twee jongens haten elkaar.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
verhuizen
De buurman verhuist.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.