Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!