Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
genieten
Ze geniet van het leven.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
geldig zijn
Het visum is niet meer geldig.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.