Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
dansen
Ze dansen verliefd een tango.