Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!