Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests
näitama
Ma saan näidata oma passis viisat.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
transportima
Me transpordime jalgrattaid auto katuse peal.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
tapma
Ole ettevaatlik, sa võid selle kirvega kedagi tappa!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
pimedaks jääma
Mees märkidega on jäänud pimedaks.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
otsima
Varas otsib maja läbi.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
eelistama
Paljud lapsed eelistavad kommi tervislikule toidule.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
kandma
Eesel kannab rasket koormat.
dragen
De ezel draagt een zware last.
sisse seadma
Mu tütar soovib oma korterit sisse seada.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
käsitsema
Probleeme tuleb käsitleda.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
hoolitsema
Meie majahoidja hoolitseb lumekoristuse eest.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
raiskama
Energiat ei tohiks raisata.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.