Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
deliver
He delivers pizzas to homes.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
name
How many countries can you name?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
discuss
They discuss their plans.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
mention
The boss mentioned that he will fire him.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
write down
You have to write down the password!
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
sleep in
They want to finally sleep in for one night.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
improve
She wants to improve her figure.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
meet
Sometimes they meet in the staircase.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
pull
He pulls the sled.
trekken
Hij trekt de slee.
pray
He prays quietly.
bidden
Hij bidt in stilte.
touch
The farmer touches his plants.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.