Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
think along
You have to think along in card games.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
connect
This bridge connects two neighborhoods.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
cancel
The flight is canceled.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
explore
The astronauts want to explore outer space.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
throw to
They throw the ball to each other.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
pick up
We have to pick up all the apples.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
leave
Tourists leave the beach at noon.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
marry
Minors are not allowed to be married.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
drive
The cowboys drive the cattle with horses.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
return
The dog returns the toy.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.