Woordenlijst
Leer werkwoorden – Sloveens
preskočiti
Športnik mora preskočiti oviro.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
zbežati
Naš sin je hotel zbežati od doma.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
pogledati dol
Iz okna sem lahko pogledal na plažo.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
vrniti
Bumerang se je vrnil.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
služiti
Psi radi služijo svojim lastnikom.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
čakati
Še vedno moramo čakati en mesec.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
pomeniti
Kaj pomeni ta grb na tleh?
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
porabiti denar
Na popravilih moramo porabiti veliko denarja.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
sedeti
V sobi sedi veliko ljudi.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
delati za
Trdo je delal za svoje dobre ocene.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
hraniti
Otroci hranijo konja.
voeden
De kinderen voeden het paard.