Sõnavara

Õppige tegusõnu – hollandi

cms/verbs-webp/84847414.webp
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
hoolitsema
Meie poeg hoolitseb väga oma uue auto eest.
cms/verbs-webp/98294156.webp
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
kauplema
Inimesed kauplevad kasutatud mööbliga.
cms/verbs-webp/74693823.webp
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
vajama
Sul on rehvi vahetamiseks tõstukit vaja.
cms/verbs-webp/104825562.webp
instellen
Je moet de klok instellen.
seadistama
Sa pead kella seadistama.
cms/verbs-webp/99592722.webp
vormen
We vormen samen een goed team.
moodustama
Me moodustame koos hea meeskonna.
cms/verbs-webp/98977786.webp
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
nimetama
Kui palju riike oskad sa nimetada?
cms/verbs-webp/32685682.webp
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
teadma
Laps teab oma vanemate tülist.
cms/verbs-webp/121180353.webp
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
kaotama
Oota, oled oma rahakoti kaotanud!
cms/verbs-webp/23257104.webp
duwen
Ze duwen de man het water in.
lükkama
Nad lükkasid mehe vette.
cms/verbs-webp/119847349.webp
horen
Ik kan je niet horen!
kuulma
Ma ei kuule sind!
cms/verbs-webp/47737573.webp
geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
huvituma
Meie laps on muusikast väga huvitatud.
cms/verbs-webp/123298240.webp
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
kohtuma
Sõbrad kohtusid ühiseks õhtusöögiks.