Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests
ette laskma
Keegi ei taha lasta tal supermarketi kassas ette minna.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
kinnitama
Ta sai kinnitada oma abikaasale hea uudise.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
ära jooksma
Kõik jooksid tule eest ära.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
kandma
Nad kannavad oma lapsi seljas.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
põlema
Kaminas põleb tuli.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
helisema
Kas kuuled kella helinat?
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
lahkuma
Paljud inglased tahtsid lahkuda EL-ist.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
puhastama
Ta puhastab kööki.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
ajama
Lehmakarjustajad ajavad loomi hobustega.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
avama
Festival avati ilutulestikuga.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
puudutama
Ta puudutas teda õrnalt.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.