Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/89636007.webp
underskrive
Han underskrev kontrakten.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
cms/verbs-webp/119747108.webp
spise
Hvad vil vi spise i dag?
eten
Wat willen we vandaag eten?
cms/verbs-webp/125376841.webp
kigge på
På ferien kiggede jeg på mange seværdigheder.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
cms/verbs-webp/102136622.webp
trække
Han trækker slæden.
trekken
Hij trekt de slee.
cms/verbs-webp/120220195.webp
sælge
Handlerne sælger mange varer.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/105224098.webp
bekræfte
Hun kunne bekræfte den gode nyhed til sin mand.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
cms/verbs-webp/38753106.webp
tale
Man bør ikke tale for højt i biografen.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
cms/verbs-webp/80427816.webp
rette
Læreren retter elevernes opgaver.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
cms/verbs-webp/80332176.webp
understrege
Han understregede sin udtalelse.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
cms/verbs-webp/79404404.webp
behøve
Jeg er tørstig, jeg behøver vand!
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
cms/verbs-webp/113248427.webp
vinde
Han prøver at vinde i skak.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
cms/verbs-webp/111021565.webp
føle afsky
Hun føler afsky for edderkopper.
walgen van
Ze walgde van spinnen.