Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
skep
Hy het ’n model vir die huis geskep.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
vertrek
Die trein vertrek.
vertrekken
De trein vertrekt.
beklemtoon
Jy kan jou oë goed met grimering beklemtoon.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
bedek
Sy bedek haar gesig.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
skakel af
Sy skakel die alarmklok af.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
sorteer
Ek het nog baie papier om te sorteer.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
besmet raak
Sy het met ’n virus besmet geraak.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
begin hardloop
Die atleet is op die punt om te begin hardloop.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
opsoek
Wat jy nie weet nie, moet jy opsoek.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
verbind wees
Alle lande op Aarde is verbind.
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
stuur
Hierdie maatskappy stuur goedere regoor die wêreld.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.