Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
buscar
El ladrón busca en la casa.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
gestionar
¿Quién gestiona el dinero en tu familia?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
elevar
El helicóptero eleva a los dos hombres.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
pasar
A veces el tiempo pasa lentamente.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
salvar
Los médicos pudieron salvar su vida.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
expresar
Ella quiere expresarle algo a su amiga.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
suceder
Algo malo ha sucedido.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
cubrir
Ha cubierto el pan con queso.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
suceder
¿Le sucedió algo en el accidente laboral?
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
amar
Realmente ama a su caballo.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
patear
En artes marciales, debes poder patear bien.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.