Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)
sentir
Ele frequentemente se sente sozinho.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
dar à luz
Ela dará à luz em breve.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
bater
Ela bate a bola por cima da rede.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
explicar
Vovô explica o mundo ao seu neto.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
conversar
Os alunos não devem conversar durante a aula.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
significar
O que este brasão no chão significa?
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
estar familiarizado
Ela não está familiarizada com eletricidade.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
funcionar
A motocicleta está quebrada; não funciona mais.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
criticar
O chefe critica o funcionário.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
praticar
A mulher pratica yoga.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
chegar
Muitas pessoas chegam de motorhome nas férias.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.