Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests
koju minema
Ta läheb töö järel koju.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
rongiga minema
Ma lähen sinna rongiga.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
ära viskama
Neid vanu kummirehve tuleb eraldi ära visata.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
tõmbama
Ta tõmbab kelku.
trekken
Hij trekt de slee.
segama
Mitmesuguseid koostisosi tuleb segada.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
ringi reisima
Ma olen palju maailmas ringi reisinud.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
kaduma
Mu võti kadus täna ära!
verdwalen
Mijn sleutel is vandaag verloren gegaan!
kohtuma
Nad kohtusid esmakordselt internetis.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
helistama
Ta saab helistada ainult oma lõunapausi ajal.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
välja tõmbama
Kuidas ta selle suure kala välja tõmbab?
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
jälitama
Lehmipoiss jälitab hobuseid.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.