Woordenlijst

Leer werkwoorden – Ests

cms/verbs-webp/58993404.webp
koju minema
Ta läheb töö järel koju.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
cms/verbs-webp/43483158.webp
rongiga minema
Ma lähen sinna rongiga.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
cms/verbs-webp/82378537.webp
ära viskama
Neid vanu kummirehve tuleb eraldi ära visata.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
cms/verbs-webp/102136622.webp
tõmbama
Ta tõmbab kelku.
trekken
Hij trekt de slee.
cms/verbs-webp/128159501.webp
segama
Mitmesuguseid koostisosi tuleb segada.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
cms/verbs-webp/107407348.webp
ringi reisima
Ma olen palju maailmas ringi reisinud.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
cms/verbs-webp/28787568.webp
kaduma
Mu võti kadus täna ära!
verdwalen
Mijn sleutel is vandaag verloren gegaan!
cms/verbs-webp/114593953.webp
kohtuma
Nad kohtusid esmakordselt internetis.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
cms/verbs-webp/112755134.webp
helistama
Ta saab helistada ainult oma lõunapausi ajal.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
cms/verbs-webp/120870752.webp
välja tõmbama
Kuidas ta selle suure kala välja tõmbab?
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
cms/verbs-webp/3270640.webp
jälitama
Lehmipoiss jälitab hobuseid.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
cms/verbs-webp/45022787.webp
tapma
Ma tapan sääse!
doden
Ik zal de vlieg doden!