Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
køre rundt
Bilerne kører rundt i en cirkel.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
rejse
Vi kan godt lide at rejse gennem Europa.
reizen
We reizen graag door Europa.
bør
Man bør drikke meget vand.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
sove længe
De vil endelig sove længe en nat.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
modtage
Han modtager en god pension i alderdommen.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
klippe ud
Figurerne skal klippes ud.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
gå tilbage
Han kan ikke gå tilbage alene.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
sne
Det har sneet meget i dag.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
rasle
Bladene rasler under mine fødder.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
reparere
Han ville reparere kablet.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
studere
Der er mange kvinder, der studerer på mit universitet.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.