Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
déclencher
La fumée a déclenché l’alarme.
activeren
De rook activeerde het alarm.
consumer
Le feu va consumer beaucoup de la forêt.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
donner
Elle donne son cœur.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
obtenir un arrêt maladie
Il doit obtenir un arrêt maladie du médecin.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
punir
Elle a puni sa fille.
straffen
Ze strafte haar dochter.
presser
Elle presse le citron.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
couvrir
L’enfant couvre ses oreilles.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
vendre
Les commerçants vendent de nombreux produits.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
sortir
Les filles aiment sortir ensemble.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
expédier
Ce colis sera expédié prochainement.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
livrer
Il livre des pizzas à domicile.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.