Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
ontslaan
Die baas het hom ontslaan.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
slaap
Die baba slaap.
slapen
De baby slaapt.
geldig wees
Die visum is nie meer geldig nie.
geldig zijn
Het visum is niet meer geldig.
gebruik
Sy gebruik daagliks skoonheidsprodukte.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
ry weg
Sy ry weg in haar motor.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
ontslaan
My baas het my ontslaan.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
stop
Jy moet by die rooi lig stop.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
jaag weg
Een swaan jaag ’n ander weg.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
handel
Mense handel in gebruikte meubels.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
bou
Wanneer is die Groot Muur van China gebou?
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
kyk na
Hy kyk na wie daar woon.
controleren
Hij controleert wie daar woont.