Woordenlijst

Leer werkwoorden – Duits

cms/verbs-webp/85968175.webp
beschädigen
Bei dem Unfall wurden zwei Autos beschädigt.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
cms/verbs-webp/100585293.webp
umwenden
Hier muss man mit dem Auto umwenden.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
cms/verbs-webp/113671812.webp
teilen
Wir müssen lernen, unseren Wohlstand zu teilen.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
cms/verbs-webp/109766229.webp
sich fühlen
Er fühlt sich oft allein.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
cms/verbs-webp/91997551.webp
begreifen
Man kann nicht alles über Computer begreifen.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
cms/verbs-webp/110401854.webp
unterkommen
Wir sind in einem billigen Hotel untergekommen.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
cms/verbs-webp/101765009.webp
mitgehen
Der Hund geht mit ihnen mit.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
cms/verbs-webp/28993525.webp
mitkommen
Komm jetzt mit!
meekomen
Kom nu mee!
cms/verbs-webp/132125626.webp
überreden
Sie muss ihre Tochter oft zum Essen überreden.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
cms/verbs-webp/93169145.webp
reden
Er redet zu seinen Zuhörern.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
cms/verbs-webp/75487437.webp
vorangehen
Der erfahrenste Wanderer geht immer voran.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
cms/verbs-webp/18473806.webp
drankommen
Bitte warte, gleich kommst du dran!
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!