Woordenlijst
Leer werkwoorden – Duits
beschädigen
Bei dem Unfall wurden zwei Autos beschädigt.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
umwenden
Hier muss man mit dem Auto umwenden.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
teilen
Wir müssen lernen, unseren Wohlstand zu teilen.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
sich fühlen
Er fühlt sich oft allein.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
begreifen
Man kann nicht alles über Computer begreifen.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
unterkommen
Wir sind in einem billigen Hotel untergekommen.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
mitgehen
Der Hund geht mit ihnen mit.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
mitkommen
Komm jetzt mit!
meekomen
Kom nu mee!
überreden
Sie muss ihre Tochter oft zum Essen überreden.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
reden
Er redet zu seinen Zuhörern.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
vorangehen
Der erfahrenste Wanderer geht immer voran.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.