Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
démonter
Notre fils démonte tout!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
commencer
Les randonneurs ont commencé tôt le matin.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
prendre
Elle doit prendre beaucoup de médicaments.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
déchiffrer
Il déchiffre les petits caractères avec une loupe.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
penser
Qui penses-tu qui soit le plus fort ?
denken
Wie denk je dat sterker is?
aller
Où allez-vous tous les deux?
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
exister
Les dinosaures n’existent plus aujourd’hui.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
faire une erreur
Réfléchis bien pour ne pas faire d’erreur!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
commander
Elle commande un petit déjeuner pour elle-même.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
deviner
Tu dois deviner qui je suis!
raden
Je moet raden wie ik ben!
accomplir
Ils ont accompli la tâche difficile.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.