Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
parler
Il parle à son auditoire.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
nommer
Combien de pays pouvez-vous nommer?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
laisser intact
La nature a été laissée intacte.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
imaginer
Elle imagine quelque chose de nouveau chaque jour.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
travailler
Elle travaille mieux qu’un homme.
werken
Ze werkt beter dan een man.
expliquer
Grand-père explique le monde à son petit-fils.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
couvrir
Elle a couvert le pain avec du fromage.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
brûler
Un feu brûle dans la cheminée.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
commencer
Une nouvelle vie commence avec le mariage.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
simplifier
Il faut simplifier les choses compliquées pour les enfants.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
préférer
Beaucoup d’enfants préfèrent les bonbons aux choses saines.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.