Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/93169145.webp
parler
Il parle à son auditoire.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
cms/verbs-webp/98977786.webp
nommer
Combien de pays pouvez-vous nommer?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
cms/verbs-webp/106997420.webp
laisser intact
La nature a été laissée intacte.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
cms/verbs-webp/111160283.webp
imaginer
Elle imagine quelque chose de nouveau chaque jour.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
cms/verbs-webp/112286562.webp
travailler
Elle travaille mieux qu’un homme.
werken
Ze werkt beter dan een man.
cms/verbs-webp/118826642.webp
expliquer
Grand-père explique le monde à son petit-fils.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
cms/verbs-webp/110646130.webp
couvrir
Elle a couvert le pain avec du fromage.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
cms/verbs-webp/93221279.webp
brûler
Un feu brûle dans la cheminée.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
cms/verbs-webp/35862456.webp
commencer
Une nouvelle vie commence avec le mariage.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
cms/verbs-webp/63457415.webp
simplifier
Il faut simplifier les choses compliquées pour les enfants.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
cms/verbs-webp/47802599.webp
préférer
Beaucoup d’enfants préfèrent les bonbons aux choses saines.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
cms/verbs-webp/109766229.webp
sentir
Il se sent souvent seul.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.