Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
mortigi
Atentu, vi povas mortigi iun kun tiu hakilo!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
turniĝi
Vi devas turni la aŭton ĉi tie.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
porti
Ili portas siajn infanojn sur siaj dorsoj.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
forigi
La ekskavilo forigas la grundon.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
kunigi
La lingva kurso kunigas studentojn el ĉiuj mondpartoj.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
rigardi
Ŝi rigardas malsupren en la valon.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
kontroli
La dentisto kontrolas la dentojn.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
koni
Ŝi ne konas elektrecon.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
paroli al
Iu devus paroli al li; li estas tiel soleca.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
okazi
Io malbona okazis.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
agordi
Vi devas agordi la horloĝon.
instellen
Je moet de klok instellen.