Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
move
My nephew is moving.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
walk
The group walked across a bridge.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
cut to size
The fabric is being cut to size.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
help
Everyone helps set up the tent.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
spend
She spends all her free time outside.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
stop
You must stop at the red light.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
mix
Various ingredients need to be mixed.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
endure
She can hardly endure the pain!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
know
She knows many books almost by heart.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
fight
The athletes fight against each other.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.