Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
pardonner
Je lui pardonne ses dettes.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
nettoyer
Le travailleur nettoie la fenêtre.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
envoyer
Je t’envoie une lettre.
sturen
Ik stuur je een brief.
payer
Elle a payé par carte de crédit.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
charger
Le travail de bureau la charge beaucoup.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
éviter
Elle évite son collègue.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
dépendre
Il est aveugle et dépend de l’aide extérieure.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
garder
Vous pouvez garder l’argent.
houden
Je mag het geld houden.
éditer
L’éditeur édite ces magazines.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
reprendre
L’appareil est défectueux ; le revendeur doit le reprendre.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
souligner
On peut bien souligner ses yeux avec du maquillage.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.