Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
partir
Le train part.
vertrekken
De trein vertrekt.
entrer
Le navire entre dans le port.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
protester
Les gens protestent contre l’injustice.
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
inviter
Nous vous invitons à notre fête du Nouvel An.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
prononcer un discours
Le politicien prononce un discours devant de nombreux étudiants.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
brûler
La viande ne doit pas brûler sur le grill.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
consommer
Elle consomme un morceau de gâteau.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
discuter
Il discute souvent avec son voisin.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
craindre
Nous craignons que la personne soit gravement blessée.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
arriver
L’avion est arrivé à l’heure.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
lâcher
Vous ne devez pas lâcher la prise!
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!