Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
brand
Jy moet nie geld brand nie.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
luister
Hy luister graag na sy swanger vrou se maag.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
druk
Die verpleegster druk die pasiënt in ’n rolstoel.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
proe
Die hoofsjef proe die sop.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
hou
Jy kan die geld hou.
houden
Je mag het geld houden.
teruggee
Die onderwyser gee die opstelle terug aan die studente.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
kom tuis
Pa het uiteindelik tuisgekom!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
veroorsaak
Te veel mense veroorsaak vinnig chaos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
antwoord
Sy antwoord altyd eerste.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
waag
Ek waag nie om in die water te spring nie.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
druk
Die motor het gestop en moes gedruk word.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.