Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
modtage
Han modtager en god pension i alderdommen.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
lade komme foran
Ingen vil lade ham komme foran ved supermarkedets kasse.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
forbinde
Denne bro forbinder to kvarterer.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
misse
Hun missede en vigtig aftale.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
begrænse
Jeg kan ikke bruge for mange penge; jeg skal begrænse mig.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
fremhæve
Du kan fremhæve dine øjne godt med makeup.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
bekæmpe
Brandvæsenet bekæmper ilden fra luften.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
arbejde på
Han skal arbejde på alle disse filer.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
drive væk
En svane driver en anden væk.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
skrive ned
Du skal skrive kodeordet ned!
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
gå ind
Metroen er lige gået ind på stationen.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.