Woordenlijst
Pools – Werkwoorden oefenen
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
denken
Wie denk je dat sterker is?
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
dragen
De ezel draagt een zware last.
begeleiden
De hond begeleidt hen.