Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
op handen zijn
Een ramp is op handen.
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.