Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
vertellen
Ze vertelde me een geheim.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.