Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
overnachten
We overnachten in de auto.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.