Woordenlijst
Hebreeuws – Werkwoorden oefenen
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.