Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
kussen
Hij kust de baby.
verhuizen
De buurman verhuist.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
knippen
De kapper knipt haar haar.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
activeren
De rook activeerde het alarm.