Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.