Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
eten
De kippen eten de granen.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.