Woordenlijst
Marathi – Werkwoorden oefenen
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.