Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
verantwoordelijk zijn voor
De arts is verantwoordelijk voor de therapie.