Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
plukken
Ze plukte een appel.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!