Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.