Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
draaien
Ze draait het vlees.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
haten
De twee jongens haten elkaar.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.