Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.