Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.