Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
wachten
Ze wacht op de bus.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.