Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
sturen
Ik stuur je een brief.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
springen
Hij sprong in het water.
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
mengen
De schilder mengt de kleuren.