Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.