Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.