Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
draaien
Ze draait het vlees.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
denken
Wie denk je dat sterker is?
bereiden
Ze bereidt een taart.